
Terug naar de site van het NK 2007
Dit stuk geeft u meer inzicht en houvast in hoe het juryteam van het Nederlands Kampioenschap Parlementair Debatteren 2007 de regels interpreteert. Deze interpretatie gaat uit van het officiële reglement zoals dat in 2002 door het Landelijk Debat Overleg vastgesteld is. Dat reglement vindt u hier. Bij elk toernooi komen toch altijd nog vragen op. Die vragen proberen we hier te beantwoorden. Sommige antwoorden hebben twee onderdelen: onderdeel 1, de regels, en onderdeel 2, de tips. De regels vertellen u wat u op een specifiek punt moet doen en wat u niet mag doen, de tips vertellen u wat, uit ervaring gebleken, gewoonweg erg verstandig, of gebruikelijk is te doen.
Algemeen:
In onderstaande tabel vindt u de spreekvolgorde en de taken van die spreker, evenals de spreektijden. In de toelichting hieronder lopen we de verschillende onderdelen bij langs. Mochten er alsnog zaken onduidelijk zijn, aarzel dan niet en stuur het Juryteam een email.
|
Eerste spreker Propositie Heet ook wel: Minister-president Spreekt als: Eerste (1e)
Duur beurt: 5 minuten Waarvan beschermd: de eerste en laatste minuut
Taak: - interpretatie van de stelling geven/ definiëren - argumentatie vóór de stelling geven |
Eerste Spreker Oppositie Heet ook wel: Leider der Oppositie Spreekt als: tweede (2e)
Duur beurt: 5 minuten Waarvan beschermd: de eerste en de laatste minuut
Taak: - interpretatie/definitie aanvallen - argumentatie van de voorstander aanvallen (taalkundig heet dit officieel “refutation” maar debaters noemen het eigenlijk alleen maar “rebuttal”) - eigen argumentatie tegen de stelling geven (“constructive”) |
|
Tweede spreker Propositie Heet ook wel: Afgevaardigde van de Regering Spreekt als: derde (3e)
Duur beurt: 5 minuten Waarvan beschermd: de eerste en laatste minuut
Taak: - argumentatie van de medestander verdedigen (“rebuttal” – d.w.z. het aanvallen van de aanval van de tegenstander) - tegenargumentatie van de tegenstander aanvallen (“rebuttal” d.w.z.: “refutation”) - nieuwe argumentatie geven (“constructive”) |
Tweede Spreker Oppositie Heet ook wel: Afgevaardigde van de Oppositie Spreekt als: vierde (4e)
Duur beurt: 5 minuten Waarvan beschermd: de eerste en laatste minuut
Taak: - argumentatie van de medestander verdedigen (“rebuttal” – d.w.z. het aanvallen van de aanval van de tegenstander) - tegenargumentatie van de tegenstander aanvallen (“rebuttal” d.w.z.: “refutation”) - nieuwe argumentatie geven (“constructive”) |
|
Eerste Spreker Propositie Spreekt als: zesde (6e, laatste!)
Duur beurt: 3 minuten Waarvan beschermd: geheel
Taak: Het debat concluderen, d.w.z.: beargumenteren waarom de propositie overtuigender was. |
Eerste Spreker Oppositie Spreekt als: Vijfde (5e)
Duur beurt: 3 minuten Waarvan beschermd: geheel
Taak: Het debat concluderen, d.w.z.: beargumenteren waarom de oppositie overtuigender was |
De Voorbereiding:
Het debat zoals hierboven beschreven is de zogeheten American Parliamentary-Style (kortweg AP). Dat bestaat uit twee teams tegenover elkaar. Wie voor en tegen is wordt beslist door de organisatie (een gerandomiseerd computerprogramma). De stelling wordt een kwartier vóór het debat begint bekend gemaakt: de teams kunnen zich dan voorbereiden. Teams bereiden alleen voor. Dus: u overlegt alleen met uw teampartner tijdens de voorbereidingstijd. U overlegt niet met andere teams (‘dat heet ‘group prepping’), ook niet met uw tegenstanders. Verder mag u geen elektronische middelen gebruiken (bijvoorbeeld: bevriende experts, zaken opzoeken op internet) in de voorbereidingstijd. Overtreding van deze regels leidt tot directe diskwalificatie. U mag wel uw eigen meegebrachte documentatie raadplegen zoals daar zijn meegebrachte kranten, boeken of een eigen handboek met standaardargumenten.
Tip:
Het is gebruikelijk dat het voorstandersteam voorbereid in de zaal zelf, en de tegenstanders op de gang. Dat bespaart geharrewar over wie waar zit en zo kunt u uw voorbereidingstijd nuttiger gebruiken.
De Spreekvolgorde:
De spreekvolgorde in de eerste vier beurten is heel logisch: de eerste spreker vóór spreekt eerst, dan de eerste spreker tegen, dan de tweede spreker voor weer en dan de tweede spreker tegen. Bij de zogeheten ‘concluderende beurten’ wordt die volgorde omgedraaid: dus, nadat de tweede spreker tegen is geweest, komt er wéér een speech van de tegenstanders, namelijk de samenvattende beurt van de tegenstanders. De samenvattende beurten worden altijd gedaan door de eerste sprekers van dat team.
De Spreektijden:
De eerste vier beurten duren vijf minuten. De laatste twee beurten duren 3 minuten en daarin zijn geheel géén interrupties toegestaan. U mag de aan u toegekende spreektijd met maximaal 15 seconden overschrijden. Die 15 seconden hebben als doel om u uw zin af te laten maken zodat u niet precies op 5 minuten halverwege een zin weer moet gaan zitten. De jury stopt echter wel met schrijven na die 5 minuten en berekent puntenverlies als u langer dan 15 seconden over de tijd heengaat.
De spreektijden in de halve en hele finale zijn zes minuten voor de eerste vier opbouwende beurten en drie minuten voor de conclusie beurten.
Tip:
- Maak uw beurten wel zoveel mogelijk vol. Wanneer u in een opbouwende beurt na 2 minuten al klaar denkt te zijn, dan is de kans groot dat u uw argumenten gewoonweg niet goed uitgewerkt heeft.
- Neem zelf een stopwatch mee, zodat u niet alleen maar van de tijdwaarnemer afhankelijk bent om te zien hoever u bent in uw speech. Overigens: de tijdwaarnemer is de ‘officiële’ tijd: als u volgens uw stopwatch toch nog een halve minuut overhad, dan heeft uw stopwatch ongelijk en de tijdwaarnemer gelijk.
Interrupties: Aanbieden
Interrupties zijn korte vragen die u aanbiedt bij de sprekers van de andere partij. Interrupties mogen maximaal 15 seconden duren en dienen een vraag te bevatten. Ze mogen alleen worden aangeboden in de onbeschermde tijd (dus in de middelste drie minuten van de eerste vier beurten). Zeer belangrijk: de andere partij, die op dat moment spreekt, beslist of u uw punt mag maken of niet. Als de spreker u weigert, dan dient u zonder aarzelen te gaan zitten. Ook als u halverwege uw punt bent, en de spreker vraagt u te gaan zitten, dan dient u te gaan zitten.
Regel:
- Een interruptie mag niet langer duren dan 15 seconden
- De interruptie moet een vraag bevatten
- U moet de interruptie als volgt aanbieden: u gaat staan en zegt iets non-descripts als “Op dat punt!” of “punt van informatie”, of geheel niets.
- U mag uw interruptie niet aanbieden door het onderwerp alvast aan te kondigen (bijvoorbeeld: “op Irak” of “over de staatssecretaris van financiën”)
- U mag ook niet ‘barracken’, dat wil zeggen: direct nadat u bent afgewezen voor een punt van informatie wéér opstaan.
- Points of order en points of personal privilege zijn niet toegestaan. Wanneer iemand de order van het debat schendt of de persoonlijke eer aantast wordt dit door de jury meegewogen bij de toekenning van punten.
Tip:
- U hoeft niet per sé iets te zeggen bij het aanbieden van uw punt van informatie. Als de spreker u kan zien, dan volstaat simpelweg opstaan en vragen kijken vaak al. Als de spreker iemand is die duidelijk moeite heeft met zijn speech, dan is het niet netjes die persoon te blijven afleiden door al roepende interrupties aan te vragen – ook al bent u dan niet letterlijk aan het ‘barracken’, het is gewoonweg niet zo aardig.
- Biedt per beurt in ieder geval één interruptie aan, maar probeer het liever minimaal een keer of 3. Het toont uw betrokkenheid bij het debat.
Interrupties: Aannemen
Wanneer iemand van uw tegenpartij opstaat om een interruptie te maken, dan bent ú, de spreker, degene die beslist of hij of zij deze interruptie mag plaatsen. Het is immers uw beurt, dus u bepaalt wat ermee gebeurt. U neemt een punt van informatie aan door degene die de interruptie aan te vragen, aan te kijken en iets te zeggen als: “uw beurt” of “ja” of “gaat uw gang”. U kunt de interruptie echter ook weigeren: de aanbieder moet dan weer gaan zitten zonder iets gezegd te hebben. Accepteer minimaal 1 punt van informatie in een vijf-minuten beurt.
Tip:
- accepteer niet meer dan 3 punten van informatie: anders heeft u geen tijd meer voor uw eigen speech
- beantwoord de interruptie ook duidelijk en helder.
- u hoeft niet per sé “nee dank u wel” te zeggen bij elke punt van informatie die wordt aangeboden. Even nee-schudden of een afwijzend handgebaar maken kan ook. Dat ziet er misschien onbeleefd uit maar beroepsdebaters zijn het gewend: het zorgt ervoor dat u uw speech niet hoeft te onderbreken.
Definitie van de stelling in de eerste voorstandersbeurt
De voorstanders moeten definiëren wat ze precies verstaan onder de begrippen van de stelling en moeten met een plan komen dat past bij die stelling. De stellingen op het NK Debatteren 2007 zijn gesloten. Dat wil zeggen dat ze een onderwerp bieden (bijvoorbeeld: ‘het Koningshuis’) en een beleidsrichting (bijvoorbeeld: ‘moet afgeschaft worden’), en dus weinig ruimte bieden voor vrije interpretatie. Dat is met reden: de tegenstanders verdienen ook een eerlijke kans zichzelf inhoudelijk voor te bereiden. Door een al te vrije interpretatie ontneemt u uw tegenstanders die kans. In jargon noemen we zo’n vrije interpretatie een ‘squirrel’, en die zijn dus niet toegestaan. Wél ‘squirrelen’ leidt tot zware puntenaftrek.
Voor de rest geldt dat uw definities ‘debatable’, bediscussieerbaar moeten zijn. Daarom zijn ook truïsmes niet toegestaan. Truïsmes zijn definities waar de tegenstanders het onmogelijk mee oneens kunnen zijn, bijvoorbeeld: “genocide moet voorkomen worden”. Daar kan een tegenstander redelijkerwijs weinig tegen in brengen. Ook tijdsgebonden definities zijn onredelijk, dus: “het Verenigd Koninkrijk onder Chamberlain had niet de politiek van appeasement moeten volgen”.
Stellingen gaan altijd over een beleidsveld: een gebied van onze politieke werkelijkheid waarop een actueel probleem speelt. In die stelling zit vaak al gesuggereerd welke beleidsactor de voorstanders moeten pretenderen te zijn. Dus, in een stelling als: “deze Kamer schaft de Europese landbouwsubsidies af” is het vrij logisch dat de voorstanders beargumenteren alsof ze de Europese Unie waren en niet, bijvoorbeeld, de VS. Mocht de stelling het niet voldoende suggereren dan mogen de voorstanders kiezen welke beleidsactor ze pretenderen te zijn, maar die keuze moet wel redelijk zijn. Dus, een stelling als ‘ Deze Kamer schaft het Koningshuis af’ mag niet geinterpreteerd worden als ‘Deze Kamer schaft het Koningshuis af…in Swaziland’. Dan is de definitie te plaatsgebonden: de kans dat de tegenstanders er redelijkerwijs iets vanaf weten is nihil.
Onthoudt: het doel van al deze regels garanderen dat er een goed debat over een belangrijke maatschappelijke kwestie gehouden wordt. Alles wat daarvan afleidt kan worden gezien als een overtreding en serieuze puntenaftrek tot gevolg hebben.
Tip:
- Neem de stelling zo letterlijk mogelijk. Ook al lijkt de stelling voor uw gevoel in uw nadeel, dat is niet zo. Het Juryteam, dat bestaat uit ervaren debaters, heeft lang en hard over de stellingen nagedacht en is met zeer gebalanceerde stellingen gekomen. Dat wil zeggen dat er voor zowel de voorstanders als de tegenstanders een redelijke case te maken is. Mocht er alsnog een onbalans in de stellingen zitten, dan zorgt het Juryteam ervoor dat alle jury’ s dit weten, en die corrigeren voor deze bias.
- De stelling gaat meestal over een actuele maatschappelijke of ethische kwestie. Goed op de hoogte zijn van het nieuws helpt u al een heel eind op weg in het bepalen van de onderwerpen.
- Beschouw de regels hierboven als doodzondes. Overweeg ze niet eens: het kost u vrijwel zeker de kop. Zo’n beetje het enige geval waarin het u niet de kop kost is als uw tegenstanders geheel en al niks zeggen.
Hoe zit het met status-quo debatten?
De doorgewinterde debater heeft hierboven al gezien dat wij zogeheten status quo-debatten niet direct als een doodzonde beschouwen. Een status quo-debat is een debat waarbij de voorstanders een plan gaan verdedigen dat in het echt al uitgevoerd is. Zo kunt u bij een stelling “deze kamer legaliseert softdrugs” zoveel definities geven dat die definities eigenlijk uitkomen op het huidige gedoogbeleid. Dat is oneerlijk ten opzichte van de tegenstanders omdat zij feitelijk als rol hebben de status quo te verdedigen, en wordt daarom soms als een doodzonde beschouwd.
Wij beschouwen een status-quo definitie in het volgende geval echter niet als een doodzonde: dat is wanneer de stelling het noodzaakt. En de stelling noodzaakt het slechts in het geval het onderwerp debatable, bediscussieerbaar is. Een voorbeeld: toen enkele jaren geleden Nederland overwoog om troepen te sturen naar Afghanistan werd de stelling ‘Deze Kamer stuurt troepen naar Afghanistan’ veel gebruikt. Deze stelling werd feitelijk een status quo-debat op het moment dat de Nederlandse overheid daar daadwerkelijk toe besloot. Maar dat maakte het onderwerp niet minder controversieel: het is niet zo dat van de ene op de andere dag het sturen van troepen naar Afghanistan een onderwerp was waar iedereen het over eens was. Daarom werd de stelling ook toen nog in die vorm gehanteerd, omdat deze nog steeds een effectieve formulering was van een actuele maatschappelijke kwestie die een goed debat mogelijk maakte, en mochten de voorstanders dus een status quo maken.
Echter, wanneer de stelling de status quo niet noodzaakt, dan heeft de organisatie daar bewust voor gekozen: dan willen ze een debat dat over een verregaandere keuze gaat, een verandering van de status quo dus, zoals in het voorbeeld van het legaliseren van softdrugs. Wanneer dan de voorstanders alsnog wél de stelling als status quo definiëren is het dan dus ook wel een doodzonde.
Moeten de voorstanders altijd een plan brengen?
Ja. Het moet omdat het hier ‘parlementair debatteren’ betreft, en dat wil dus zeggen dat de debaters het hebben over ‘parlementaire zaken’. Dat zijn kwesties waar overheden voor staan, of dat nu nationale overheid is of een internationale organisatie als de VN. Overheden doen dingen: existentiële debatten over de zin van het leven en de aard van de werkelijkheid komen er niet aan bod (hoewel dergelijk zaken soms wel in de argumentatie naar voren kunnen komen). En omdat overheden dingen doen, moeten de voorstanders ook een plan introduceren om iets te doen.
Hier wordt vaak tegenin gebracht dat er uitzonderingen zijn: sommige stellingen zijn zeer ethisch van aard of zijn beter te voeren als een algemene beleidsrichting. Bijvoorbeeld: enkele jaren geleden was er een stelling dat “deze Kamer vindt het gelegitimeerd dat overheden geweld gebruiken om leiders van terroristische oppositiegroeperingen uit te schakelen” (of iets van die strekking, de aanleiding was destijds de succesvolle aanslag van de staat Israël op de Palestijnse leider Sheikh Yassin). Hier was het niet nodig voor de voorstanders om echt een uitgewerkt “plan” te brengen: een plan zou dan namelijk specificeren welke unit van het leger of de politie dat dan zou moeten doen, met welke wapens, et cetera, en dat zou alleen maar afgeleid hebben van het echte debat, namelijk of, en zo ja, onder welke voorwaarden, de overheid dit mag doen.
In onze ogen hangt het allemaal af van de definitie van het woord “plan”. Een plan in onze ogen is een uitleg van de volgende 3 elementen:
- wie? (welke beleidsactor?)
- doet wat? (verricht welke beleidshandeling?)
- onder welke voorwaarden? (met welke bevoegdheden?)
In het voorbeeld hierboven spreekt het ‘wie’ en het ‘wat’ al uit de stelling, en daarom was het overbodig om dat nog te definiëren in de eerste beurt. Degenen die de visie aanhangen dat dat dan geen plan is, gebruiken dus slechts de eerste twee criteria (een definitie van ‘wie doet wat’) als definitie van het begrip ‘plan’. Maar in het voorbeeld was het definiëren van de vóórwaarden weer wél relevant voor het debat – en dat hoort volgens ons dus ook bij het geven van een definitie. En soms heeft een voorstandersteam mazzel en zijn dus zowel de actor, als de handeling, als de bijbehorende voorwaarden al gegeven in de stelling. Een voorbeeld zou zijn: “deze kamer verbiedt abortus onder alle omstandigheden, zonder uitzondering”. Zo simpel is het vaak niet.
Tip:
- zorg dat u uw plan in zo’n beetje de eerste anderhalve minuut gebracht heeft van uw speech. Begin uw beurt bijvoorbeeld door de stelling aan te halen en dat te zeggen: “wat gaan wij precies doen? Nou, dit:..”. Als uw plan uitgelegd is, dan kunt u overgaan naar uw argumentatie door bijvoorbeeld te zeggen: “Waarom vinden wij dit een goed plan? Welnu, om de volgende drie redenen…”.
- besteedt in uw beurt meer tijd aan het rechtvaardigen van uw plan dan aan het uitleggen van uw plan. Als de uitleg van uw plan meer dan twee minuten duurt, dan is de kans groot dat u niet debatteert over wat de organisatie beoogde.
Aanvallen van de definitie van de stelling in de eerste tegenstandersbeurt
Een veel voorkomende vraag: stel dat de voorstanders toch een “squirrel” plegen, wat doe je dan als tegenstander? In de reglementen staat dat u dan de definitie dient aan te vallen en eventueel zelfs een andere definitie ervoor in de plaats dient te stellen. Wij vinden die richtlijn wat onhandig: de voorstanders gaan weer beargumenteren dat zij tóch niet gesquirreld hebben, en zo krijgen we een erg lelijk debat. Dat willen we niet. Wij hanteren daarom geen harde regels over wat u móet doen bij een “squirrel”. Wij dringen er slechts op aan dat u uw verstand gebruikt, en dat u zichzelf ten doel stelt “Het debat te redden”: omdat uw voorstanders een faux-pas begaan hebben, is het risico erg groot dat het gewoonweg een slecht debat wordt omdat u gedwongen bent langs elkaar heen te praten. Als u laat zien dat u niet alleen uw case, maar vooral het debat als geheel toch weer tot het bedoelde hoge niveau kunt krijgen, dan bent u verzekerd van een aardige score en vergroot u uw winkansen significant. Vandaar dus:
Tip:
- berust in het feit dat de voorstanders zichzelf in de voet hebben geschoten met een squirrel. Zelfs als ze hun eigen case duidelijk winnen op argumenten, omdat ze hun eigen case-file hebben kunnen gebruiken en u niet, dan nog zal de jury ze zwaar puntenatrek geven en bent u vrijwel verzekerd van de overwinning.
- als de voorstanders squirrelen, stip dat dan even kort aan in het begin van uw speech, maar voer dan, zo goed en zo kwaad als u dat kunt, tóch het debat zoals de voorstanders dat gedefinieerd hebben. U heeft weliswaar maar 5 minuten voorbereiding in plaats van 20 (dat wil zeggen, 15 minuten regulier plus 5 minuten eerste speech van de voorstanders), maar de jury waardeert het des te meer als u probeert er alsnog een goed debat van te maken.
- u hoeft het niet per sé aan te stippen dat er gesquirreld wordt. Stipt u het toch aan, maak er dan vooral geen groot misbaar van. Hoe meer gentleman-like u het opvangt, hoe beter het is voor uw team en uw sprekerspunten.
Hoe zit dat met ‘constructive’ in de tweede oppositiebeurt?
Een recente discussie betreft de vraag over de tweede oppositiebeurt. De tweede oppositiebeurt is een lastige omdat in die beurt het vrijwel onmogelijk is voor de propositie om eerlijk te kunnen reageren op het nieuwe materiaal wat u brengt. Maar tegelijkertijd wilt u ook weer niet dat uw beurt een herhaling is van de beurt van uw eerste spreker. Er liggen dus twee conflicterende eisen op die tweede oppositiebeurt, en welke eis voorrang krijgt, is precies waar de huidige discussie over gaat. Wij als juryteam kiezen ervoor om de middle ground in te nemen en stellen voor het NK 2007de volgende regels op:
Regel:
- nieuwe argumentatie in de tweede beurt mag, mits aan de volgende voorwaarden is voldaan:
- het betreft hier slechts 1 á 2 nieuwe argumenten
- u brengt ze aan het begin van uw beurt (ergens in de eerste 2 minuten)
- ze zijn aangekondigd door uw partner in de eerste beurt
- u staat een punt van informatie toe zodanig dat de voorstander kunnen reageren op het nieuwe argument.
Wat moet ik doen in de conclusiebeurt?
In de conclusiebeurt dient u te beargumenteren dat uw kant van het debat het meest overtuigend was. Nieuwe argumenten mogen niet, en dat wel doen leidt tot puntenaftrek. Een eventueel nieuw voorbeeld en nieuwe rebuttal zijn wel toegestaan.
Jurering
De organisatie streeft ernaar elk debat te laten jureren door ten minste twee personen. De jury is verantwoordelijk voor het bepalen van de uitslag en zal in de eerste drie rondes van het toernooi tevens deze uitslag toelichten en van feedback voorzien. Klachten over de jurering kunnen kenbaar worden gemaakt aan het Juryteam. Dit kan echter nooit leiden tot een verandering van de uitslag.
Powerranking
Op dit toernooi wordt gepowerrankt. Dat betekent dat vanaf en inclusief de tweede ronde, u tegen een team gezet wordt dat een vergelijkbaar aantal overwinningspunten heeft als u. We doen dit om ervoor te zorgen dat u zoveel mogelijk debatten van uw niveau voert, en vormt voor ons ook een selectiemiddel om te garanderen dat de beste teams boven komen drijven aan het einde van de dag.
Tip:
- maak uzelf niet druk als u tegen een in uw ogen inmens goed team komt te staan. Blijkbaar heeft u het goed genoeg gedaan en bent u van vergelijkbaar niveau. Zie het als een compliment!